Grens overschrijdend

8 februari 2017 / Reportages

Gepubliceerd in Fiets Magazine #2 2017

Wij fietsers zijn dolgelukkig met de plek waar ons land grenst aan België en Duitsland. Het Drielandenpunt ligt op 323 meter boven zeeniveau en is daarmee het dak van de Lage Landen. De wegen die er naar boven leiden, bijten in de kuiten. Iedere Nederlander weet dat. Toch is onze hoogste top niets meer dan een verkeersdrempel in vergelijking met het Tiroler Drielandenpunt. Ongekende pieken kenmerken de omgeving waar Italië, Oostenrijk en Zwitserland samenkomen. Het asfalt dat daar ligt is in staat kuiten eraf te bijten. Ik parkeerde z’n woonwagen op de Passo dello Stelvio, legde een stevige bodem met een stapel pannenkoeken en stapte op z’n tweewieler.

 

DROOM

Alle superlatieven zijn al eens gebruikt om de epische 48-haarspeldbochtige slingerweg van Prato naar de Passo dello Stelvio te omschrijven, maar eigenlijk is er geen woord dat de grootsheid van de beklimming eer aandoet. Tijdens de opmars naar 2758 meter hoogte krijg je het stijl- en steilvolle kunstwerk per beenrotatie van een ander imposant perspectief te zien. En zodra de top eenmaal in beeld is, blijft hij op je neerkijken. Het 25 kilometer lange asfalt zou daardoor niet misstaan naast de Mona Lisa. Wellicht is er simpelweg te weinig ruimte in het Louvre om het pronkstuk van eveneens Italiaanse makelij erbij te hangen.

 

Ik kijk liever naar een berg dan naar een schilderij. Naar de Passo dello Stelvio kan ik eindeloos kijken. De manier waarop het wegdek tegen de wand omhoog kruipt, is adembenemend. Ongeacht de ijle lucht. Toen ik een bus kocht en ‘m verbouwde tot huis op vier wielen, droomde ik ervan om non-stop op Stelvio-achtige paradijzen te zijn. De droom om te ontwaken op deze gigant was een natte. Het was een droom die elke trio met twee rondborstige blondines te boven ging. Het was een droom die ik in deze Duitstalige streek gerust ‘geil’ durf te noemen. Het was een droom die ik mocht leven, met een stapel pannenkoeken als ontbijt.

 

 

POTENBREKER

Wakker en wel suist er een ongekende mate van goesting door m’n lijf. De pas roept me. Ik stuiter ervan. Hier kan ik niet niet fietsen. Onmogelijk. Vanaf m’n bed loerde ik al naar het dal. Nu is het tijd om me erin te laten vallen. Vol bravoure dender ik omlaag. Ik vlieg, knijp 48 keer in de remmen, zet 48 keer voluit aan en ben volledig in m’n element op de technische helling. Bovendien zijn de medeweggebruikers me gunstig gezind. Ik weet dat deze route in de zomer immens populair is, met name bij motorrijders, maar daar is vandaag niets van te merken. Snel als het licht volbreng ik de eerste helft van mijn tocht.

 

Ik keer om in Prato. Ik calculeer in dat het naar boven langer duurt dan naar beneden. Ik heb inmiddels genoeg bergen gefietst om daar vrij zeker van te zijn. Genoeg ook om te weten hoe ik moet klimmen. Toch gaat het niet van harte. Allesbehalve: ik breek geen potten, maar mijn poten. Tussen de haarspeldbochten in stijgt het teer onverminderd hard en de bordjes in de bochten lijken steeds langzamer af te tellen. Dolblij ben ik als ik tussen de natuurstenen vangrails ‘2° Kehre tornante’ tevoorschijn zie komen. Op de parkeerplaats in de eerste bocht staat mijn bus. Klein stukje nog. Met hangen en wurgen worstel ik me er naartoe. Eenmaal daar kan ik het uiteraard niet laten om de laatste strook ook mee te pakken. Ondersteboven van mijn inspanning, van het venijn van de pas en van de schoonheid van beide bereik ik de top. Moegestreden keer ik huiswaarts.

 

 

GRENZEN

Gooi vanaf de Passo dello Stelvio een steen het dal in en hij landt, mits je ‘m de goede kant opgooit, in Zwitserland. Dat is wat men noemt op een steenworp afstand. Onderweg van de top naar Bormio vind je namelijk na enkele kilometers een afslag naar de Umbrailpas. Vanaf die splitsing is het één keer poefen om er te geraken. De Umbrailpas ligt zo’n 250 meter lager dan de Passo dello Stelvio, op de grens van Italië en Zwitserland, en zou een naam van weleer zijn als z’n grotere broer elders zou rusten. De weg kronkelt vanaf Santa Maria als een harmonieuze rivier door het landschap, waardoor het asfalt verdacht veel lijkt op een natuurverschijnsel. De zwarte streep is hier onafscheidelijk van de flanken.

 

Ik duw de sleutel in het contact en poog de motor te starten. Op 2700 meter hoogte heeft een Volkswagen T3 uit 1990 daar wat moeite mee. Met enig geduld en een rookpluim verlaat ik mijn tijdelijke woonplaats en rol ik van het ene land het andere binnen. Ik passeer een verlaten douanehok. Ik kijk om me heen. Ik kijk goed om me heen. Ik zet de auto zelfs stil om uitgebreid rond te turen. Vervolgens kan ik maar één conclusie trekken: er is geen verschil tussen voor en na de grensovergang. Ook hier zijn de rotspartijen ruig. Ook hier stroomt er sneeuwwater. Ook hier schijnt de zon. Zelfs het gemiddelde stijgingspercentage van het wegdek is ogenschijnlijk gelijk. Ik besef dat ik een landsgrens – in tegenstelling tot het asfalt van de Umbrailpas – absoluut niet met een natuurverschijnsel kan vergelijken. Grenzen hebben niets met natuur te maken. Grenzen zijn echt iets wat mensen verzonnen hebben. Waarom eigenlijk?

 

Omdat er zonder landsgrenzen geen drielandenpunt zou zijn, cruise ik verder zonder mijn brein erover te breken. Wel moet ik tranen lachen als ik via Zwitserland Oostenrijk binnen probeer te komen. In dezelfde straat kom ik drie grensovergangen tegen. Eerst Zwitserland-Oostenrijk, dan Oostenrijk-Zwitserland, dan Zwitserland-Oostenrijk. Na de trio-opening van deze reportage durf ik dit ook wel te schrijven: ik lach de ballen uit m’n broek. Ik bedenk me dat deze weg de makkelijkste manier is om fietsend grenzen te overschrijden, dus doe ik dat. Met mijn ballen reeds uit m’n broek gaat het omkleden snel. Daarna fiets ik voor het eerst grenzen door zonder diep te gaan.

 

 

HOOFDSTAD

Van de Zwitserse provincie Graubünden rol ik het Oostenrijkse Tirol binnen. Het eerder bezochte Italiaanse Südtirol maakt het drieluik compleet. Bij het ontbreken van een meer spraakmakende benaming dan ‘3-Länder’, benoem ik deze regio eigenhandig tot Tiroler Drielandenpunt. Niet in de laatste plaats omdat de Oostenrijkse gemeente Nauders zich als hoofdstad van het gebied opwerpt. Ik bereik het dorp door na de derde grensovergang de Norbertshöhe over te pezen. Als ik op het hoogste punt een ambacht tref waarmee hout me vertelt dat men van Nauders houdt, word ik nieuwsgierig naar de reden ervan. Bij de lokale VVV vraag ik om tekst en uitleg.

 

Deze streek is immens populair gedurende de koudere maanden van het jaar. In het wintersportseizoen verviervoudigd de populatie van Nauders zich. Op veel van de ruim 4000 bedden voor toeristen wordt in de zomer niet geslapen. Maar dat pedaleurs hier op handen gedragen worden, is me snel duidelijk. In de periode juni-augustus organiseert de gemeente maar liefst vier fietsevenementen. De een nog uitdagender dan de ander:

  • Drieländergiro (eind juni): een cyclosportieve van 168 kilometer en 3300 hoogtemeters, door Oostenrijk, Italië en Zwitserland.
  • Kaunertaler Gletscherkaiser (half juni): een klimkoers van 51 kilometer en 2150 hoogtemeters vanaf het nabijgelegen Feichten.
  • Race across the Alpes (eind juni): een ultrarace van 580 kilometer en 13600 hoogtemeters binnen 24 uur, die gelijk staat aan de Drieländergiro, de Ötztaler Radmarathon en de Dolomietenmarathon ineen.
  • Bergkastel Trophy (begin augustus): een mountainbikewedstrijd van 12,3 kilometer en 880 hoogtemeters.

 

 

RESCHENSEE

Even droom ik over deelname aan de Race across the Alps, maar ik schut die gedachte direct uit mijn hoofd. Ik leef nu, en niet in mijn dromen. Nu heb ik vooral last van volle benen door de buitenproportionele hoeveelheid steile hoogtemeters die ik rondom het drielandenpunt voor m’n kiezen heb gekregen. Terwijl ik kilometers at, heeft het asfalt mijn kuiten eraf gebeten. Wat mij betreft is de tijd rijp voor een makkelijk verteerbare rit met weinig hartslagen en veel omwentelingen. Maar waar vind ik een horizontale weg tussen al die verticale gesteenten? Water is altijd waterpas. De Reschensee biedt uitkomst.

 

Vanaf Nauders is het een kleine vijf kilometer naar de Reschenpas, waar Oostenrijk en Italië elkaar vinden. Weiden vol bloemen en hooischuren wijzen me de weg naar boven. De Reschensee, of Lago di Resia, ligt direct aan de andere zijde van de grens. Ik watertand als ik het stuwmeer zie. Ook zonder roeiboot is dit de ideale omgeving om rustig te peddelen. Een omloop kost me zo’n 35 minuten en ik besluit vijf rondes te maken. Vlak trappen doet me goed. Het zuur vloeit uit m’n benen alsof er een stop onder m’n hiel zat. Voldaan klik ik uit de pedalen en stuur ik richting de blauwe spiegel te midden van het parcours. Ik besef dat ze zulke mooie badkamers niet verkopen op een meubelboulevard.

 

In een impuls trek ik het wielertricot van m’n lijf en hol ik het ijskoude gletsjerwater in. De duik is absoluut verfrissend te noemen. Toch zorgt de zon ervoor dat het aangenaam toeven is in de reusachtige badkuip. Nadat ik kopje onder ben geweest, zie ik pardoes een man met een werphengel langs de kant staan. Hij heeft me ongetwijfeld poedelnaakt het meer zien bestormen. Ach, het interesseert het me geen zak. Zolang hij mijn visje maar niet vangt. Na een paar minuten tussen de kraakheldere druppels sjok ik terug naar de kant. Daar bestempel ik een plons in de Reschensee als aanrader. In ieder geval voor iedere busbewoner zonder douche. De regio an sich is een aanrader voor iedere fietsfanaat die prat gaat op natuurrijke passen en venijnige hoogtemeters. Het Tiroler Drielandenpunt staat op de kaart.