Eric Mijnster

Don’t stop me now

Augustus – September 2013. Tijdens de afgelopen zomer reisde ik van de Mont Ventoux naar de Alto de El Angliru. Nietsvermoedend tekende ik enkele weken voor vertrek drie grote cirkels om plaatsen hier ver vandaan. Mijn indrukwekkende plan was om alle drie de kanten van de Mont Ventoux op één dag te beklimmen, mijn 22 resterende Pyreneeëncols uit de visumgids Fietsen in de Pyreneeën aan te doen en de Alto de El Angliru plat te walsen. Enkele minuten later kocht ik – enigszins impulsief – een vliegticket en vloog op 10 augustus voor nog geen €100,- met racefiets en rugzak van Eindhoven naar Marseille. In totaal leefde ik 26 dagen, 2500 kilometer en 24000 hoogtemeters van top tot top. Het meest karakteristieke etmaal van mijn avontuur was de elfde: de dag van de koninginnenrit.

Van Ventoux tot Anglriu

Na 10 dagen vol bergen voelen mijn benen als sloopkogels en heb ik lucifers nodig om mijn ogen open te houden. Het mag een wonder heten dat ik wederom springend naast mijn bed sta voordat de wekker gaat. Sterker nog, zo gretig als nu ben ik nog nooit geweest om zeven uur ‘s ochtends. In gezelschap van Freddie Mercury – die me met de wereldhit Don’t stop me now elke morgen voorziet van de nodige goesting – pak ik de routekaart er nog eens bij. De eerste helft van mijn reis was waanzinnig, maar vandaag staat met rood gemarkeerd in de agenda. Met de Col d’Aspin, de Col du Tourmalet en Luz Ardiden op het programma fiets ik straks namelijk de absolute koninginnenrit van mijn avontuur.

Goede morgen

Ik haal mijn outfit uit de douche voordat ik het water me laat ontwaken. Gisteren had ik een relatieve rustdag met de beklimming naar Pla d’Adet als enige doelwit, maar mijn tricot rook bij terugkomst alsof ik het al voor de tiende dag op rij aan had. Waarschijnlijk roken ze zo omdat ik het daadwerkelijk voor de tiende dag op rij aan had. Ik droeg mijn fietskleding al in het vliegtuig van Eindhoven naar Marseille en zal ze tot aan de Alto de El Angliru elke etappedag aantrekken. Ook zo meteen, daarom heb ik ze gisterenmiddag met hotelshampoo laten weken in de gootsteen en opgehangen boven het doucheputje. Echt proper is mijn harnas er overigens niet door geworden, maar mijn dagelijkse wasritueel heeft de zweetgeur in ieder geval voor een paar uur gecamoufleerd.

Na de douche schuif ik in wielerkledij aan voor het ontbijt. Dat wil zeggen: ik neem plaats op bed en pak het eerdaags gekochte stokbrood op schoot. Het klinkt wat karig, maar ik heb geen €7,- over voor een croissant en een kwart baguette. Terwijl ik mijn petit déjeuner naar binnen schuif, werp ik een laatste blik op de koninginnenrit. De totale lengte bedraagt 125 kilometer en leidt me over drie vreselijke bergtoppen tussen Saint-Lary-Soulan en Argelès-Gazost. Volgens de visumgids Fietsen in de Pyreneeën staat mijn tocht over de Col d’Aspin, Col du Tourmalet en Luz Ardiden garant voor 3200 hoogtemeters. Het meeste schrik krijg ik echter van het profiel van de tweede Pyreneeënreus. Bovendien is de Tourmalet de meest beklommen col van de Tour de France; ik voel mijn hart een ritme slaan dat mijn benen niet zullen halen op de helling.

Don't stop me now

Don't stop me now

Alles bij de hand

Als de zon achter het hooggebergte tevoorschijn komt, raap ik mijn spullen bij elkaar. Ik heb een rugzak bij me met een inhoud van 17 liter. Eigenlijk past mijn inboedel er net niet in. Met een aantal wegenkaarten, een paar schoenen, een set zomerkleding, wat reservemateriaal en een tandenborstel worden de stiksels van de ritssluiting al op hun elasticiteit getest, maar daar heb ik ‘m op uitgezocht. Twee jaar geleden begon ik namelijk aan een soortgelijk avontuur door de Alpen met een gigantische backpack die mij meer dan 10 kilogram zwaarder maakte. Na één dag in het zadel bezocht ik de La Poste om mijn hele hebben en houden terug te sturen naar het thuisfront. Bergen fietsen is al zwaar genoeg, daar kan ik geen hernia bij gebruiken.

Ook mijn tweewieler staat startklaar voor de koninginnenrit. Een unicum, want zo happig zijn de hoteleigenaren niet op smerige fietsers met smerige fietsen. Tot nu toe ben ik al veel receptionisten tegengekomen die mij verboden mijn rijtuig mee naar mijn kamer te nemen. Eén keer verwees een dame me zelfs naar de parkeergarage voor motorvoertuigen aan de andere kant van de straat, waar ze een fietsenrek hadden staan speciaal voor dit soort gevallen. Dan moest ik nog wel wat bijbetalen. Ik bedankte haar vriendelijk, al kwam dat vooral door mijn ontoereikende Franse vocabulaire om die troela duidelijk te maken hoe ze in hemelsnaam zoiets achterlijks voor durfde te stellen.

In de wolken

Ontwaakt en gefocust klik ik in mijn pedalen en zet koers richting de top van de Col d’Aspin. Ik ga gebukt onder druppelende wolkenvelden en dichte mistbanken. Het gebrek aan oriëntatie maakt het klimmen zo nu en dan best benauwend, maar het merendeel van de tijd waan ik me in een sprookje. Om me heen zie ik schimmen van objecten omkadert door een witte waas. Precies zoals een droom op televisie wordt uitgebeeld. Meter voor meter baan ik me een weg omhoog door het laaghangende wolkendek. Dan betrap ik mezelf op het openritsen van mijn shirt. Er verschijnen vale schaduwen op het wegdek. De zonnestralen gaan gepaard met kletterende hoeven op het asfalt. Een handvol wilde hengsten steekt de weg over en staren me al sjokkend nonchalant aan. Tot nu toe had alles enkel de schijn van een droom, maar nu voel ik de gelukshormonen in alle uithoeken van mijn lichaam dansen. Ik dans zelf mee, op de pedalen.

Hoewel mijn benen na 10 dagen vol bergen al verzuren bij het passeren van een vluchtheuvel, bereik ik de Col d’Aspin zonder al te veel moeite. Onder het bord van de top rits ik mijn rugzak open op zoek naar een appel en een windjack. Om bij zinnen te blijven probeer ik elk uur iets naar binnen te stoppen en met de ijskoude afdaling in het verschiet zal ik daar voorlopig geen tijd voor hebben. Voordat ik weer op mijn zadel plaatsneem, kijk ik nog even over de uitgestrekte wolkenzee. Dan zet ik – ingepakt en wel – koers richting de Col du Tourmalet.

Don't stop me now

Don't stop me now

Don't stop me now

Winnen

Ik haal drie mannen in en begroet ze met een sympathieke ‘bonjour,’ daarna concentreer ik me direct weer op de eerste stijgende kilometer van de huiveringwekkende Pyreneeënpas. De mannen zwijgen; het asfalt spreekt. Ik schakel terug en probeer mijn enthousiasme onder bedwang te houden.

Dan peddelen de mannen die ik zojuist inhaalde voorbij. Ze kijken me aan en lachen naar elkaar. Eén van de drie Spanjaarden zegt ‘ola’ tegen me, terwijl hij met een valse grijns langszij schuift. Mijn ketting ligt op m’n lichtste versnelling: 39 x 28. Ik heb het verzet inmiddels al zo vaak gebruik dat ik het grootste tandwiel van mijn cassette niet eens meer probeer schoon te maken. De reis eist elke dag meer tol, waardoor ik doorgaans weiger groter te schakelen dan nodig. En als ik merk dat ik fysiek meer aankan, spaar ik mezelf door klein te trappen. Op de Col du Tourmalet is er geen sprake van rijden op reserve. Zelfs met 39 x 28 loop ik leeg. Toch schakel ik bij.

Ik kan de drie arrogante schurken onmogelijk zonder verweer laten winnen op deze heroïsche beklimming. Ik volg op enkele tientallen meters en wacht mijn kans schoon. De wielershirts van de gebruinde mannen verklappen dat ze vaker door het hooggebergte fietsen, maar ik acht ze er niet toe in staat om het straffe tempo vol te houden. Ik geloof overigens ook niet dat ik daartoe in staat ben. Ik moet gewoon later door het ijs zakken dan de zelfingenomen koplopers.

De valse grijns herhaalt zich tussen mijn oren terwijl ik mijn pedalen op en neer ram. Dan knikt het wegdek. Met nog vier kilometer voor de boeg neemt het stijgingspercentage toe. Ik kraak, maar mijn snelheid blijft gelijk. De snelheid van de drie Spanjaarden zakt zichtbaar. Ik nader. Mijn aderen voelen als een wildwaterbaan en mijn bloed klotst er in stroomversnelling doorheen. Er sijpelen zelfs druppels bloed mijn mond binnen. Ik sluit aan bij de kopgroep, manoeuvreer voorbij de verwaande mannen, kijk alsof ik op een rustdag door het platteland peddel en begroet ze met een hartelijke ‘ola’.

Het gevoel dat hun verwarde gezichten mij bezorgt is euforisch. Eenmaal tête de la course hoop ik dat ik mezelf niet heb opgeblazen in mijn stoerdoenerij, maar van binnen heerst een slappe lach als gevolg van de zoete wraak. Met sterretjes op mijn netvlies kijk ik achterom, daarna kus ik mijn handpalmen en gooi ik mijn armen richting de hemel. De wielerrecreanten op de top vragen zich af of er een steekje bij me los zit. Waarschijnlijk word ik lichtelijk paranoïde van twee weken fietsen in mijn eigen wereld. Voor mijn gevoel heb ik namelijk zojuist mijn eerste Tour de France gewonnen.

Don't stop me now

Zoeken naar een bed

Om drie uur in de middag begin ik aan Luz Ardiden. Tijdens de afdaling van de Col d’Aspin heeft de zon de wolken verdreven, waardoor ik me momenteel voel als een boterham in een broodrooster met een kapotte timer. Door de combinatie van hitte en vermoeidheid beland ik in een staat die te vergelijken is met een permanente black-out. Ik weet niets, ik denk niets, ik voel niets, maar ik schuifel stukje bij beetje naar boven. Pas als ik poseer op de top besef ik hoe leeg ik ben. Het is maar goed dat ik hier te fiets ben, want ik kan geen stap meer zetten.

Amper ontwaakt uit de narcose daal ik af naar Argelès-Gazost. Ik probeer mezelf op te peppen met wat teugen water en een halve baguette, want zonder gereserveerde slaapplaats in het hoogseizoen kan het zomaar zijn dat ik een dorp verder moet fietsen om een bed te vinden. Ik volg de borden centre ville, rij een aantal rondjes rond de kerk en vind de Office du Tourisme door de aanwijzingen van een galante Française. Met mijn tweewieler in mijn hand strompel ik naar binnen. Een jonge dame zit achter de balie. Ze glimlacht en vraagt in haar moedertaal wat ze voor me kan doen. Als ik mijn lippen beweeg proef ik zout, maar ze begrijpt dat ik op zoek ben naar een slaapplaats.

De enige vrije bedden in de omgeving kosten me ten minste €50,- per nacht. Het is de hoofdprijs voor een matras en een douche, maar ik zal er niet minder door slapen. Ik ben zo opgelucht dat ik niet verder hoef te trappen dat ik haar vraag de kamer direct vast te leggen. De dame zegt dat ze normaal gesproken niet telefoneert met hotels voor verdwaalde toeristen, maar voor deze keer maakt ze een uitzondering. Dan dringt het tot me door hoe verslonst ik eruit zie.

Welterusten

Voordat ik in coma beland, dwing ik mezelf te douchen. Ik moet namelijk nog op pad om eten te zoeken. Vaak eindig ik in de plaatselijke supermarché voor het schap met magnetronmaaltijden. Bij gebrek aan apparatuur op de hotelkamers, verorber ik de kant-en-klaar gerechten zonder ze op te warmen. Vandaag heb ik mazzel. Er staat een piramide hele kippen te dampen voor de slager. Voor €5,- geef ik het gevogelte een enkeltje naar mijn maag. Daarna val ik als een blok in slaap. En dat is maar goed ook, want morgen wacht onder andere de beklimming naar Hautacam op me. En volgende week – met een dagje treinen in Spanje tussendoor – de Alto de El Angliru.

Don't stop me now

Don't stop me now

Don't stop me now

– Gepubliceerd in Fiets