Eric Mijnster

Leeg

Ik ben leeg. Ik zit stuk. Ik ben een vodje. Ik baal. Er stond nog geen twintig kilometer op de teller. Als ik over mijn schouder had gekeken, zag ik de camping nog liggen. Ik reed achteraan in een groepje en rolde zonder te trappen in het kielzog mee. Totdat de weg knikte. Niet eens noemenswaardig. Mijn slokdarm brandde. Ik voelde een bliksemschicht tussen mijn oren. Mijn benen stopten. Verschrikt keek ik naar beneden. Ze zaten er nog wel, maar de kracht om ze te roteren was verdwenen. Ik was leeg. Op. Zo op dat ik een situatie geen betekenis meer kon geven. Zo leeg dat ik niet meer na kon denken en alleen nog kon voelen. Mijn gevoel wilde liever stoppen dan doorgaan. Ik was zo leeg dat ik in de remmen kneep.

Misschien heeft de diepe massage van gisteren me de das om gedaan. Misschien had ik geen wijn moeten drinken toen ik eerder deze week verjaarde. Misschien heb ik me in mijn enthousiasme voorbij gefietst de eerste dagen. Misschien werkt mijn droomtocht dwars door de Alpen zwaarder door dan ik dacht. Misschien… Fuck it. Misschien doet er niet toe. Het maakt niet uit wat de oorzaak is. Alles wat ik doe, doe ik omdat ik het op dat moment wil. Omdat ik zo ben. En als ik alles doe omdat ik zo ben, is deze lege Eric ook wie ik ben. Het is een logisch gevolg van mezelf. Eerder schreef ik dat ik baalde. Dat doe ik 200 woorden later niet meer. Het is goed zo. Alles is goed.

Wat vooral goed is, is dat ik een keuze had. Ik was zo leeg dat ik fysiek alleen nog uit huid bestond. Ik besloot mijn voeten aan de grond te zetten. Ik wilde mijn voeten aan de grond zetten. Ik kon mijn voeten aan de grond zetten. Voor mij was opgeven een optie. Voor iedereen is opgeven een optie. Maar ik kan het navertellen. Dat kan niet iedereen. Sommige mensen zijn zo ziek dat het leven moet voelen als een oneindige beklimming, die jaren duurt, zonder campings als rustpunt, zonder de mogelijkheid om af te stappen. Want dan zijn ze dood. Ik ben blij dat ik die keuze heb. Ik gun iedereen die keuze. Ik stapte af. Kon iedereen dat maar.

– Foto van Eppo Karsijns