Eric Mijnster

Carnaval

Ik heb op de bar gedanst. Meer dan eens. Ik ben er ook wel eens afgedonderd. Keihard. Ik ben zelfs eenmaal in het ziekenhuis beland omdat ik te lang onder de tap hing. Ik kwam om zeven uur in de ochtend bij zinnen met een infuus aan m’n arm en kon me de oorzaak ervan niet herinneren. De oorzaak werd me nadien verteld, maar weerhield me niet om kroegen te bezoeken. Ik vond mezelf met name tijdens carnaval de beste versie van mezelf: Sneeuwwitje. Stuiterend van totale ontlading lalde ik met elke kraker mee. Ik hoste polonaises bijeen en ouwehoerde ongegeneerd met de hele tent. Iedereen was m’n vriend. Het sprookje duurde vijf dagen. De roes ook. Daarna had ik een kater.

Uiteraard had ik koppijn van de buitenproportionele hoeveelheid pils, maar mijn heimwee naar de roes overtrof de gevolgen van de gedronken druppels drank. Ik scandeerde steevast dat het feest der feesten zo fijn is omdat ‘iedereen zichzelf is met een masker op’. Tijdens carnaval bestaat een ingetogen houding niet. Elke uitgedoste zuiderling begeeft zich spontaan en uitgelaten op straat, zonder schroom, om zich dagen aaneen scheel te lachen. Ik heb ondervonden dat wij daar tamelijk briljant in zijn. Jammer dat een jaar uit meer dan die vijf dagen bestaat. Ook jammer dat er een masker en bier nodig is voor zo’n ambiance.

Onbewust op zoek naar een alledaagse manier om de carnavaleske roes zonder jurk en rode nagellak te beleven, belandde ik op een fiets. In principe gebeurt er dansend op de pedalen exact hetzelfde als dansend op een bar: gedachten staan uit. Met een bar ín in plaats van onder m’n mik, is het moment het enige dat overblijft. Gisteren was gisteren, morgen komt morgen, en nu is nu. Iets anders dan nu is er nu niet. Volledige focus op nu zorgt ervoor dat het moment kneiterhard binnenkomt. De ervaring is extatisch. Zwetend op twee wielen nog meer dan met een goudgele rakker in de hand, omdat alcohol de focus drastisch verlaagt. Alcohol kan de focus tot niets verlagen. Zodanig dat er zelfs geen nu meer is. Zo werd ik zonder herinnering wakker bij de eerste hulp.

Sinds mijn liefde voor de fiets is m’n hunkering naar alcohol passé. Toch kon ik er geen genoegen mee nemen dat ik moest trappen om mezelf onder te dompelen in de sprookjesachtige roes. Het enige wat ik m’n hele leven lang oprecht heb gewild, is gelukkig zijn. Die roes zijn. Altijd. Ik wilde leven alsof het carnaval was. Ik wilde leven alsof ik op de fiets zat. Ik wilde leven zonder schroom. Ik wilde leven zonder te denken. Ik wilde simpelweg zijn en ervaren. Ik wilde dat zo ontzettend graag dat ik er alles voor over heb gehad om die droom te verwezenlijken. Ik verkocht zelfs m’n hele hebben en houden om het mysterie te ontrafelen. Ik wilde, en het lukte. Ik herhaal wat ik daags na la Route des Grandes Alpes vlogde: “Het gevoel dat alles kan, als ik het wil, is zo magisch. Dat is zo magisch. Alles kan. Briljant.”

Ik heb m’n woonwagen zojuist langs een geitenpad geparkeerd en vraag me af of genialiteit een limiet heeft. Tegelijkertijd besef ik dat ik het antwoord twee zinnen eerder gegeven heb. Genialiteit kent geen grens, want alles kan. Ik voel de uitgelatenheid van Sneeuwwitje en de focus van het pedaleren. Ik zie, hoor en ruik. Ik adem in en uit. Ik ervaar de intense rust van het moment. Kippenvel gaat ermee gepaard. Dat is geluk. Vergeet de foto. Dat ik dit op deze fabelachtige plek schrijf, maakt geen zak uit. De extase is onafhankelijk van de plaats. De roes zit in me en draag ik altijd bij me. Ooit liet ik ‘m los met carnaval. Daarna ontketende ik ‘m op de fiets. Tegenwoordig heeft hij vrij spel. Ik sluit niets uit. Alles kan. Ook dansen op de bar.