Machtig

3 juli 2016 / Verhalen

Er was een tijd waarin ik pijnvrij bergop fietsen niet voor mogelijk hield. Dat was toen ik nog voetbalde. Toen ik na 90 minuten razen op een grasmat moe dacht te zijn. Inmiddels weet ik beter. Na tig overwonnen passen ben ik geen speeltje voor de hellingen meer, maar speel ik met het oplopende asfalt. In mijn bus wordt er dagelijks een buffet aan hoogtemeters voorgeschoteld. Ik biets de kersen van de taart. Daardoor zitten er zoveel stijgende kilometers in mijn benen dat het tweetal gewend is aan de spierspanning. Pijngrenzen zijn er wel en niet, net zoals de landsgrenzen binnen de Europese Unie. M’n lichamelijke douane is opgeheven.

 

Vanmorgen reisde ik onder andere naar de Pian del Tivano. Een immens populaire bult ten zuiden van het Comomeer waar het lijf in staat is meerdere keren om een paspoort te vragen. Ditmaal niet. Zelfs niet toen ik begon met vliegen. Mijn onderstel roteerde de crank duizelig en trok de ketting aan flarden. M’n pedalen kraakten de Italianen doof. Want Italianen waren er in overvloed. Tot voor kort vond ik het moeilijk een plaats voor m’n auto te charteren rondom de zonovergoten waterplas. De Italianen lieten me zien hoe dat hier in z’n werk gaat: ze parkeerden zichzelf met fiets en al midden op het asfalt. Easy peasy. Eén van de mannen parkeerde z’n rijtuig pontificaal in mijn achterwiel en liftte mee naar boven. De laatste meters reden we zij aan zij. Vervolgens gaven we elkaar zeiknat van zweet een ferme handdruk en hijgde m’n passagier er een primadeluxe “complimenti” uit. Ja, ik vond het lekker.

 

Hoe hard het ging, maakt geen klap uit. Ik stap niet in het zadel om tijden te verbeteren. Ik straal niet als een jager om anderen te vernederen. Of om mezelf te bevestigen. De enige reden waarom ik bergen bij tijd en wijle als springschans gebruik, ligt voor Gespleten asfalt-volgers voor de hand: het gevoel. Zodra ik de landingsbaan in volle focus verlaat, en merk dat er geen lichamelijke douane aanwezig is, ben ik alles wat er is. Dat is een onuitputtelijke bron van energie die na 90 minuten op de weg lacht om zijn voetbalcarrière. Dat is spelen met het zijn. Dat is het.

 

Dat is de reden dat ik mezelf na afloop van de rit in een roze trui hees. Enkele maanden geleden sprak ik tijdens de ploegenpresentatie van de vierdaagse amateurkoers RaboMeertour en kreeg ik hun puntentrui mee voor een machtig moment. Dit was een machtig moment. Roze in Italië, met een bidon in plaats van een beker, een bos bloemen voor m’n moeder, op een podium van asfalt, voor een denkbeeldige uitzinnige mensenmassa. Ja, ik vond het lekker.