Eric Mijnster

"Het dalen bracht me telkens weer volledig in de zone. Het klimmen timmerde me er telkens weer hardhandig uit. En toen stapte ik op een fiets." Eric

Carven

De tranen schoten in mijn ogen, en niet alleen van de snelheid. Onderhuids kippenvel, inwendig, het teken van sensatie in z’n meest ultieme vorm. Ik was een met de helling. Zo plat ging ik. Zo hard ook. Zo dwars dat ik de sneeuw kon kussen. De ‘g’ in g-krachten stond voor gaaf, gruwelijk, grandioos en ik was een straaljagerpiloot. Tom Cruise deed alsof in Top Gun; ik ging voor het echie op de piste. Met de sneeuw als lucht vloog ik dwars door de geluidsbarrière en kantelde ik mijn ski’s andermaal. Door de kromming van de latten was dat het enige wat ik hoefde te doen: kantelen. Hoe harder ik op de kanten duwde, hoe korter de draai, hoe meer g-krachten, hoe meer tranen in mijn ogen. Carven kietelde mijn bovenkamer. Meer nog. Elke zenuw kreeg de slappe lach. Ik wilde door en door, voor eeuwig door. Helaas: einde piste.

Na een kwartier dringen voor de poortjes van de stoeltjeslift stond ik weer met beide benen op de grond. Weg snelheid, sensatie en Tom Cruise. De straaljager had plaatsgemaakt voor een karretje van Efteling’s Carnaval Festival. Alles in me wilde suizen door het luchtruim, maar mijn lichaam zat vast in een kindercircus. Ik wilde niet, maar moest. Ik moest blijven zitten. Ik kon er niet uit. De beugels gingen niet open. Boven pas. Toen ik eindelijk losgelaten werd en door de ‘taa-ta-ta-taa’-melodie in slaap gesukkeld was, had ik mezelf al lang en breed opgegeten. Onderweg naar de top scheen de zon en scheen het best gezellig te zijn geweest, maar ik had honger. Dat lamlendige geneuzel in de lift was precies wat ik niet wilde. Vliegen, dat wilde ik. Het dalen bracht me telkens weer volledig in de zone. Het klimmen timmerde me er telkens weer hardhandig uit. En toen stapte ik op een fiets.

De tranen schoten in mijn ogen. Onderhuids kippenvel, inwendig, het teken van sensatie in z’n meest ultieme vorm. Ik was een met de helling. Zo plat ging ik. Zo hard ook. Zo dwars dat ik de vangrail kon kussen. Ik was een straaljagerpiloot. Met het asfalt als lucht gaf de fiets me vleugels. Ik kantelde andermaal en rolde groeven in het asfalt. Ik spleet het asfalt. Zwart was het nieuwe wit. Zwart was de verbeterde versie van wit. Zwart verdrong mijn liefde voor wit. Want eenmaal beneden, met elke zenuw kortademig vanwege een slappe lach, trapte ik omhoog. Mijn zenuwen begonnen te gieren. Ze kregen een slappe gier. De inspanning van het klimmen voelde anders dan de ontlading van het dalen, maar door de gelijkwaardige intensiteit hield ik de zaligmakende focus. Ineens kon ik de extase oneindig verlengen. Op twee latten wilde ik voor eeuwig door; op twee wielen kon ik voor eeuwig door. Correctie: kan ik voor eeuwig door. Mits het asfalt niet ineens als sneeuw voor de zon verdwijnt, stap ik nooit meer af.