Eric Mijnster

Maraton Franja

HOLY MOLY. Tantoe. God miljaar! Wat was dit vet. Vijf weken geleden stapte ik op mijn fiets nadat ik ‘m een half jaar lang onder het stof had laten staan. Sinds Limburgs Mooiste op 21 mei glanst m’n rollende maat weer. Ik stond toen na 120 kilometer heuvels wel op het punt om mijn moeder huilend op te bellen, maar aan het eind van de dag had ik m’n tweewieler in 9 uur tijd toch proper getrapt. Gisteren mocht de wonderschone Tarmac eindelijk uitblinken. Maraton Franja telde 156 kilometer en twee bergen van categorie ‘primadeluxe’. Glansrijk volbrachten we de koers.

Ruim duizend jonge honden wachtten hongerig op het startschot in de Sloveense hoofdstad Ljubljana. Ook ik had trek, op m’n Specialized. Toen de weg na 15 kilometer werd vrijgegeven, ging het asfalt erin als koek. Het eerste uur raasde voorbij met een gemiddelde van tegen de vijftig. Daar moest ik zelf ook om lachen. En toen kwam helling nummer één. Tengere mannen uit de streek lieten het voltallige peloton naar adem happen. Mijn hartslag ging als de kop van Jut naar maximaal. Toch schoof ik op. Ik reed bij de eerste vijftig. Plotseling bevond ik me op de voorste linie. De ‘all-out’-trainingen die ik reed in aanloop naar la Route des Grandes Alpes flitsten door m’n hoofd. Na vier minuten met een hartslag van boven de 180 zat ik destijds met Darth Vader-achtig gehijg achterstevoren op m’n rijtuig. Tegenwoordig hou ik het tientallen minuten vol. Bizar.

De afdaling en waterpasse stroken richting obstakel twee leverden geen problemen op. Toen de route na een kilometer of 90 ineens flirtte met een stijgingspercentage van 10% was daarentegen alle hens aan dek. De Slovenen deden hun naam eer aan door zich uit te sloven en begonnen als ware kamikazepiloten aan hun vlucht naar boven. Ik merkte een gebrek aan zadeluren en een overschot aan chocoladerepen en paste voor de eerste groep. In superfocus gooide ik een reddingsboei uit en peddelde ik in eigen tempo naar de top. Daar stortte ik me als een baksteen het dal in.

Dalen is mijn favoriete bezigheid. Dat is geen geheim. Geef mij een weg naar beneden en ik ben een kamikazepiloot vol levenslust en totale controle. Deze keer was niet anders. Ik vloog van de uiterste centimeter nabij de rechterberm naar de rotsen links van het wegdek en terug naar de uiterste centimeter nabij rechterberm. Met kreten van een cowboy – hiii-haaa – omdat dit m’n eerste keer was op een afgesloten parcours. Andere coureurs kropen in m’n wiel en met 50 kilometer op de teller vormden we een groep van 50 mannen wiens magen niet meer knorden, maar tolden. In sneltreinvaart stoomden we naar het eindstation. Na drie kwartier als één van de machinisten sloop er kramp in m’n poten en nestelde ik me in de buik van het pak.

Met 10 kilometer voor de boeg tikte ik een Guarana-stick achterover (een shotje met o.a. menthol waardoor luchtwegen die aanvoelen als rietjes veranderen in tunnels, bedankt Duursport.nl). Fast Forward snelde ik naar voren om me in het sprintgeweld te mengen. Om positie te nemen deelde ik een semi-professioneel kwakje uit op de laatste rotonde en vervolgens gaf ik alles in een in m’n verbeelding machtige spurt. Maar de snit was eraf. Met mijn halfbakken explosiviteit leek ik eerder op een zappelin dan een kruisraket. Het lukte me daarom niet op te schuiven in de laatste meters. Deed er ook niet toe. Ik was binnen na iets meer dan vier uur en zielsgelukkig van flow. Toen ik vorig jaar in m’n bus stapte, had ik dit voor ogen. Nu is het zover. Koersen over bergen. Volgende week: klimtijdrit Kaunertaler Gletscherkaiser.